AKTE 1, scène 1 De Jodensavanne
In de eerste scène van Akte 1 zien we op de achtergrond een door paarden aangedreven suikermolen in de Jodensavanne. In de verte glinstert er een rivier.
Majoie noemt de suikermolen een uitvinding van de Portugese jood Arbanel: een historisch onjuiste, maar in de wereld van de opera geen problematische waarneming. De suikermolen werd door de joodse immigranten c.q. slavenhouders in Suriname geïntroduceerd.
Na een instrumentale Introductie gaan de gordijnen weer open. In het duet met de tenor Arbanel zingt de gouverneur hem met zijn basstem toe: vind het goud. [In Fool’s Gold vond die dialoog plaats tussen de slavenopzichter Mallatta en de Engelse Lord]. De gouverneur gelooft van harte, dat Manoa bestaat. Arbanel beaamt dat, en vestigt er de aandacht op dat de Jodensavanne óók bestaat. De gouverneur constateert dat de slaafgemaakten de Jodensavanne hebben verlaten, zelfs al mochten ze Arbanel graag. Zijn uitvinding van de paardenmolen verlichtte hun zware werk aanzienlijk.
Het koor lijkt bezwaar aan te tekenen tegen deze valse voorstelling van zaken en zingt er in het Surinaams tegenin: Moro betre dede bifo wig i abra, oftewel: Liever vervallen we tot stof dan dat we ons overgeven…
Samen met de zinnen Sa wanni kom mik a kom, vrij vertaald als Wat zal komen, komt… uit het volkslied Peroen, peroen, mi patron, waarop haar Surinaamse rhapsodie gebaseerd is, keren die onheilspellende en strijdlustige woorden steeds terug in de opera.
Arbanel vertelt dat de slaven Baron en Joli-coeur zijn gevolgd naar het bos, het oerwoud.
Ze verblijven in het Fort Buku (dat ‘Tot stof vervallen’ betekent), waar ze ‘dag en nacht schreeuwen en zingen’. Hij vertelt hoe hij op een nacht het Fort besloop en zich doodschrok van de vlag op het Fort met daarop een krijgshaftige, zwarte leeuw tegen een gele achtergrond. Vanuit het Fort voeren de Marrons aanvallen uit op de plantages.
Hij stelt voor om de Joden te laten komen, ze zullen het goud vinden, het land bewerken en een eigen synagoge bouwen in de Jodensavanne. Anders dan in Fools’ Gold is de synagoge hier dus nog niet afgebouwd.
De gouverneur heeft er weinig fiducie in, de krijgsgevangenen die hij vrijliet om de velden te bewerken, voeren niet veel uit en bovendien drinken ze te veel.
Dit lijkt een concrete verwijzing naar de tijd van Van Sommelsdijck, een eeuw eerder, toen de gouverneur gevangenen uit Holland inzette voor de werkzaamheden in de kolonie, soms als arbeidskracht, soms om ‘soldaatje te spelen’. (Zie o.a. Helman 1983: 140-143).
In de verte meert een boot aan met aan boord de commandant Verboom en Malatta, de bastiaan oftewel slavenopzichter.
Mallatta is een verbastering van het woord mulat.
Laurens Verboom (1654-1688) was de commandant die onder Van Aerssen Van Sommelsdijck de strijd aanbond met de Inheemsen die hardhandig tot vrede gedwongen werden. Hij zou samen met de gouverneur ten onder gaan. Ook hier staat hem dit lot te wachten.
De commandant Verboom deelt mee dat Franse piraten onder aanvoering van admiraal Cassard in aantocht zijn.
De admiraal Cassard belaagde in werkelijkheid Suriname pas in 1712.
De admiraal heeft gidsen nodig om Paramaribo binnen te varen. De enige die hem kunnen binnenloodsen zijn de twee ‘esclaves rebelles’ [opstandige slaafgemaakten]. Het koor vult in: ‘Baron et Joli-Coeur!’
Overbodig om te zeggen dat ook zij uit een ander, later tijdperk stammen.
Maar de slavenopzichter Mallatta heeft Joli-Coeur, de man van Betshabee en de vader van hun kinderen Sabacou en Blackfoot, gedood, om andere opstandige slaven een voorbeeld te stellen. Het koor zing weemoedig, maar strijdlustig: ‘More betre dede, bifo wig gi abra’ (oftewel: liever dood dan ons overgeven).
Mallatta krijgt opdracht de gevluchte slaven Baron, Sabacou, Bethsabee en Blackfoot terug te halen. Bethasabee herhaalt – vermoedelijk vanuit de verte op een ander podium – dat ze haar verworven vrijheid tot de dood zal bevechten! De gouverneur heeft het laatst woord: ‘Vind het goud, Mallatta!’
Van deze scène is de partituur compleet.