De vier versies van de opera waaraan ze de helft van haar leven wijdde en die het meest van elkaar verschillen, zijn:

Introductie

Eldorado

Het ballet (1980)

Eldorado

Het ballet (1980)

Fool’s Gold

12 december 1985

Fool’s Gold

12 december 1985

Story of Suriname

17 november 1987

Story of Suriname

17 november 1987

La larme d’or

Eind ’80 tot 2017

La larme d’or

Eind ’80 tot 2017

La Larme d’or

Registratie van de opera bij de Franse auteursrechtenorganisatie Sacem

INTRO

‘Het tekstboek van La larme d’or [De gouden traan] is bedacht is vanuit de Surinaamse taal, de taal die alle Surinamers spreken, en vanuit het Frans, de tweede taal van de bedenkster’, schrijft Majoie Hajary in de inleiding. Toch is haar basistekst vooral Franstalig, gelardeerd met zinnen in het Sranan tongo [Surinaams], Arowaks [Inheems], Engels en een paar woordjes Nederlands [‘Betalen moet je my’]. Ze vroeg de Surinaamse dichter John Leefmans om de liedtekst in het Suriname te vertalen: Na gowtu watr’ai [download]. Er is ook een Duitse vertaling. De Engelse vertaling heeft vooral betrekking op de voorlopers van La larme d’or. 

Van La larme d’or, een opera met een proloog en 3 aktes, is in tegenstelling tot de andere versies wél orkestmuziek teruggevonden, hoewel de partituur niet volledig is. Net als in Eldorado (1980) en Fool’s Gold (1985)  verwerkt ze hierin eerdere, maar ook bestaande composities.

In kort bestek vergelijk ik hieronder het libretto [download] – waarvan meerdere versies zijn –  met de teksten in de beschikbare partituren, die op verschillende versies gebaseerd lijken te zijn.     

De partituren zijn eigendom van het Nederlands Muziekinstituut (NMI) in Den Haag  

Majoie had de bekende bas-bariton José van Dam, met wie ze bevriend was, voor ogen voor de rol van de Prins. Het is onduidelijk of hij dat voorstel serieus in overweging heeft genomen. Dit plaatje komt uit werkschrift: de ogen van Van Dam die door het bladerdek van het  Surinaamse oerwoud schemeren.
De dodelijke blik van de Prins
Majoies zoon Sébastien, samen met het dienstmeisje die een poes vasthoudt in de tuin van Majoies huis in Tananarive, Madagaskar (1960).  
Het gezin woont daar vanaf 1958. Ze geeft er in maart 1959 een concert, waar ze behalve Beethoven, Liszt, Ravel, Granados ook eigen composities speelt: ‘Serenade Hindu’ en ‘Variations sur Grietjebie’.  Het is niet duidelijk of dit andere benamingen zijn voor resp. ‘Ballet Hindu’ en de ‘Surinaamse rhapsodie’. 
Majoie met Oosters snaarinstrument

GESCHIEDENIS

Haar opera gaat over de bonte geschiedenis van haar land, waar zowel de veroveraars, Inheemsen, marrons, joden als slaafgemaakten deel van uitmaken. De gouden traan van de Prins van Manao – een bedenksel van Majoie – rijgt al hun verhalen aaneen. Deze La larme d’or  borduurt voort op de vorige versies, waarin verschillende historische gebeurtenissen samensmelten. In de tijdlijn zijn er toevoegingen. Ze merkt op, dat militairen vijf jaar na de onafhankelijkheid in 1975 de macht overnamen in Suriname, waardoor het land in een isolement raakte en Nederland de afgesproken ontwikkelingshulp opschortte. Ook de tweede militaire coup, de zogenaamde kerstcoup van 1990, noemt ze. Maar in haar verhaal spelen die verder geen rol. Mogelijk wilde ze alleen aangeven, dat Suriname nog steeds niet het paradijs was, waarop ze had gehoopt. 


PERSONAGES, ZANGSTEMMEN
Sita Anjali en de andere oosterlingen uit haar opera Fool’s Gold, maken plaats voor nieuwe personages. We komen nu de zangstemmen te weten. Zo is de prins een bariton, en de niet bij naam genoemde gouverneur [gemodelleerd naar Van Sommelsdijk] een bas, zijn commandant, de historische figuur commandant Verboom maakt hier zijn debuut en is, – net als Bethsabees zoon Blackfoot en de Portugese jood Arbanel – een tenor, Sabacou is mezzo-sopraan, haar moeder Bethsabee een sopraan. De zwarte vrijheidsstrijder Baron, chef van de marrons, doet als bas zijn intrede en heeft Boni van zijn plaats verdrongen. Joli-Coeur, de vader van Sabacou, komt wel ter sprake, maar heeft geen actieve rol: hij is vermoord. Naast het mannenkoor zijn er nu ook andere koren (zoals een vrouwenkoor) toegevoegd aan het orkest.

MUZIEKSTIJL EN INSTRUMENTALE BEZETTING
De muziekstijl is een synthese tussen Afrikaanse en Indiase muziek verklankt door vooral westerse instrumenten, legt Majoie uit. ‘De gezangen, recitatieven, koren en dansen zijn met elkaar verbonden door een korte melodie, een raga, bas of door herhaalde klankwaarneming die in een ‘polytonale’ vorm zijn gegoten. De ritmische eenheden zijn geënt op korte Surinaamse zinnen van de koorzang.

‘De percussie is vaak harmonisch en melodieus en beperkt zich niet tot ritmische ondersteuning, maar speelt een grote rol zoals in alle Afrikaanse en Oosterse landen’, aldus Majoie, die onder andere in Madagaskar, Congo-Brazzaville, Tokyo woonde en tijdelijk in India verbleef. De muzikale indrukken die ze daar opdeed verwerkte ze in haar muziek. 

PARTITUREN

Van La larme d’or, een opera met een proloog en 3 aktes is, zoals gezegd, in tegenstelling tot de andere delen wél bladmuziek voor orkest teruggevonden, hoewel de partituur niet volledig is. Ze integreert hierin eerdere, maar ook bestaande composities.

In kort bestek vergelijk ik hieronder het libretto – waarvan er  meerdere versies zijn –  met de teksten in de beschikbare partituren, die op ook op verschillende versies gebaseerd lijken te zijn.  

Majoie (midden), links van haar staan haar echtgenoot Roland Garros en hun kinderen Sita en Sebastien, op de internationale luchthaven van Madagaskar, Tananarive
Portret van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk, van een anonieme kunstenaar. Eigendom Rijksmuseum Amsterdam. Hij was een van Surinames gouverneurs. Ook al wordt zijn naam niet letterlijk genoemd in La larme d’or, als ze spreekt over de gouverneur, lijkt hij – gezien de historische verwijzingen – voor hem model te hebben gestaan.  Van Sommelsdijks naaste medewerker die wel met naam genoemd wordt was commandant Laurens Verboom.
Majoie deed voor haar opera uitgebreid research, het is meer dan aannemelijk dat ze ook dit boek van Albert Helman uit 1983 raadpleegde.
In de tuin van het huis in Brazzaville, de hoofdstad van Congo-Brazzaville  Hier ondernam Majoie pogingen om een lesprogramma op te zetten voor het conservatorium daar. Zie de Tijdlijn.
Majoie clustert ook hier  weer een aantal waargebeurde verhalen: het gouverneurschap (1683-1688) van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck dat in 1688 bruusk eindigt als hij door ontevreden tewerkgestelde Nederlandse soldaten c.q. vrijgelaten gevangenen wordt vermoord, de komst in 1712 van de piraat Jacques Cassard bijna 25 jaar later, waarbij slaafgemaakten door hun bazen het bos in worden gestuurd, om zo aan de klauwen van de Fransen te ontsnappen. Velen keerden nooit meer terug, maar voegden zich bij de Marrons: gevluchte plantageslaven die zich in het oerwoud hadden verschanst.  Rond 1770, dus een halve eeuw nadien, vonden er groepsgewijs onder commando van de Marron Boni overvallen op plantages plaats.
Tijdens het werken aan deze opera hield ze de uiteindelijke titel die haar magnum opus zou krijgen nog even open. 
Afbeelding van de Prins (Getty Images)

PROLOOG:
De proloog speelt zich af rondom het Kassikassimagebergte. De toeschouwer is getuige van een historisch belangrijk  en hectisch moment. De gouverneur weet zich voor een drievoudige opdracht gesteld. 1. Ten eerste wil hij weten of de goudstad Manoa eigenlijk wel bestaat. Hij hoopt van wel; de staatskas is leeg.  2. Ten tweede moet hij de opstand van gevluchte slaven zien neer te slaan. Het verlies aan arbeidskrachten hoopt hij te kunnen opvullen door vrijgelaten Hollandse strafgevangenen naar de plantages te sturen. 3. Ten derde, ook geen sinecure,  is het zaak voor hem om de Franse piraat [Jacques] Cassard  in te tomen, die op Paramaribo voorzien heeft [zie kader].

Ook nu loodst een verteller ons door het verhaal.  Als de gordijnen opengaan verrijst op de achterwand het machtige Kassikassimagebergte met op zijn kruin de goudstad Manoa in het rijk van Degene wiens naam men niet mag uitspreken: het heilige wezen. Wilde beesten met zangerige namen als redditigri oftewel de poema maken het gebied onveilig. Het koor somt ze allemaal op. 

Nieuw ten opzichte van de vorige versies is de expeditie in opdracht van de gouverneur [gemodelleerd naar Van Sommelsdijk] die aan het verhaal is toegevoegd. De expeditiegangers: een Hollander, die voornamelijk Frans spreekt, een Fransman en een Engelsman die zich allebei uitdrukken in hun moers taal, vragen zich in de openingsscène tijdens de beklimming van de berg af of Manoa nu wel of niet bestaat. Het koor kondigt  alvast aan dat ze weldra het heilige wezen, de prins,  zullen ontmoeten: ‘Tamousi Cassicassima’ [volgens de vertaling van Majoie: ‘De Prins van Kassikassima’].  

Ineens horen de avonturiers vrouwenstemmen. Omringd door Amazones, volgens het libretto: vijf rijzige, witte vrouwen met lange gouden lokken, zien ze hoe het heilige wezen een gouden bad neemt  in het meer van Parima. 
De Amazones verwijzen hier niet naar de Griekse, maar naar de Inheemse mythe van vrouwelijke krijgers aan wie de rivier de Amazone haar naam dankt. 

Bij het water aangekomen gooit het wezen een voor een zijn juwelen in het goudmeer. Dit ziende, zingt de Engelsman begerig ‘Gold, gold, Manoa, exists.’  Geen enkele fortuinzoeker verlaat ooit levend de Kassikassima, waarschuwde de verteller al. Het heilige wezen heft zijn hand op. Op zijn teken worden de mannen bedolven onder goud en sterven de verstikkingsdood.  

Degenen die niet bij naam genoemd mag worden, daalt net als in de vorige versie Fool’s Gold de Kassikassima af. Aangekomen bij de voet van de berg biedt hij de Arowak al zijn goud aan, in ruil voor vriendschap. Maar de Arowak antwoordt dat zijn volk niet om rijkdom maalt. Bovendien: ‘De gouverneur van Het land zonder naam heeft ons vrede beloofd onder de voorwaarde dat we het woud niet verlaten.’ 

Het heilige wezen merkt cynisch op, dat de gouverneur eerder naar goud dan naar vrede smacht. Hijzelf voelt zich er een gevangene van; hij is eenzaam. Daarom vraagt hij de Arowak met hem mee te gaan naar Manoa. De Arowak is onvermurwbaar. Owa, nee. A kawa we, owa. Wij wijzen het af, nee, valt het koor hem in de taal der Arowakken bij. 
Of dit inderdaad Arowaks is, is nog niet vastgesteld.
Vermoedelijk is dit wel de enige (westerse) opera waarin de Arowakken een belangrijke rol spelen.

Dan huilt het heilige wezen zijn gouden traan zo groot als een duivenei. Die rolt voor de voeten van de Arowak. De Arowak raapt de traan op, en houdt ‘m als bewijs dat Manoa bestaat. Vervolgens rent Degenen die niet bij naam genoemd mag worden, de Kassikassima op en vervloekt niet alleen degene die zijn gouden traan bewaart, maar allen die zijn naam durven uitspreken en naar zijn goud dorsten.

Degenen die niet bij naam genoemd mag worden, het heilige wezen, de Prins van Manoa, zullen wij hier verder voor het gemak kortheidshalve als het zo uitkomt aanduiden als de Prins (in de hoop niet vervloekt te worden).

Van de Proloog is de volledige partituur bewaard gebleven. Download hier enkele pagina’s van de partituur van de Proloog.   

Het boek van de Engelse Sir Walter Ralegh [ook wel als Raleigh geschreven] over Eldorado, bracht de Nederlandse gouverneur die in de opera niet bij naam genoemd wordt, op het idee drie Europeanen op pad te sturen om de hoofdstad van Eldorado, de goudstad Manoa, te gaan zoeken. Die zou zich – aldus de verhaallijn van Majoie – op de top van het Kassikassimagebergte bevinden. De expeditie draait uit op een flop.
Uit de verzameling van Marie-Claire Fakkel
Kassikassimagebergte in het zuiden van Suriname
Marronstrijder uit het boek van John Stedman over zijn expeditietocht tussen 1772-1777 in Suriname ‘Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam’, dat ook in het Nederlands vertaald werd.
Een van de strijders die in een adem genoemd wordt met Baron en Boni is  Joli-coeur . Hij vluchtte in 1772 van de plantage Fauquemburg naar het Fort Buku, waar hij werd opgenomen in de rebellengroep van Marrons onder leiding van Boni. ‘Boekoe’ wordt ook wel als Buku geschreven. Majoie schrijft op zijn Frans: Boucou. Buku betekent dat de marrons nog liever ‘tot stof vervielen’ dan zich over te geven aan de kolonisatoren. Sterker nog: de Marrons bonden de strijd aan met het gouvernement. Ze overvielen en plunderden de plantages. Joli-Coeur wordt meestal in een adem genoemd met de strijders Baron en Boni, maar volgens de antropoloog Wim Hoogbergen blijkt uit de archieven dat Joli-coeur een minder prominente rol vervulde dan de andere twee. Niet duidelijk is wanneer Joli-coeur en Baron sneuvelden in de strijd, volgens sommige bronnen vielen beiden in 1774, in andere verhalen stierf Joli-coeur al in 1773.
 
Vlag van de Marrons:  staande leeuw op een gele achtergrond, hier afgebeeld op het boek van Wim Hoogbergen over de Boni-oorlogen

AKTE 1, scène 1 De Jodensavanne

In de eerste scène van Akte 1 zien we op de achtergrond een door paarden aangedreven suikermolen in de Jodensavanne. In de verte glinstert er een rivier. 
Majoie noemt de suikermolen een uitvinding van de Portugese jood Arbanel: een historisch onjuiste, maar in de wereld van de opera geen problematische waarneming. De suikermolen werd door de joodse immigranten c.q. slavenhouders in Suriname geïntroduceerd.

Na een instrumentale Introductie gaan de gordijnen weer open. In het duet met de tenor Arbanel zingt de gouverneur hem met zijn basstem toe: vind het goud. [In Fool’s Gold vond die dialoog plaats tussen de slavenopzichter Mallatta en de Engelse Lord]. De gouverneur gelooft van harte, dat Manoa bestaat. Arbanel beaamt dat, en vestigt er de aandacht op dat de Jodensavanne óók bestaat. De gouverneur constateert dat de slaafgemaakten de Jodensavanne hebben verlaten, zelfs al mochten ze Arbanel graag. Zijn uitvinding van de paardenmolen verlichtte hun zware werk aanzienlijk.

Het koor lijkt bezwaar aan te tekenen tegen deze valse voorstelling van zaken en zingt er in het Surinaams tegenin: Moro betre dede bifo wig i abra, oftewel: Liever vervallen we tot stof dan dat we ons overgeven… 
Samen met de zinnen Sa wanni kom mik a kom, vrij vertaald als Wat zal komen, komt… uit het volkslied Peroen, peroen, mi patron, waarop haar Surinaamse rhapsodie gebaseerd is, keren die onheilspellende en strijdlustige woorden steeds terug in de opera.

Arbanel vertelt dat de slaven Baron en Joli-coeur zijn gevolgd naar het bos, het oerwoud.
Ze verblijven in het Fort Buku (dat ‘Tot stof vervallen’ betekent), waar ze ‘dag en nacht schreeuwen en zingen’. Hij vertelt hoe hij op een nacht het Fort besloop en zich doodschrok van de vlag op het Fort met daarop een krijgshaftige, zwarte leeuw tegen een gele achtergrond. Vanuit het Fort voeren de Marrons aanvallen uit op de plantages.
Hij
 stelt voor om de Joden te laten komen, ze zullen het goud vinden, het land bewerken en een eigen synagoge bouwen in de Jodensavanne. Anders dan in  Fools’ Gold is de synagoge hier dus nog niet afgebouwd.

De gouverneur heeft er weinig fiducie in, de krijgsgevangenen die hij vrijliet om de velden te bewerken, voeren niet veel uit en bovendien drinken ze te veel. 
Dit lijkt een concrete verwijzing naar de tijd van Van Sommelsdijck, een eeuw eerder, toen de gouverneur gevangenen uit Holland inzette voor de werkzaamheden in de kolonie, soms als arbeidskracht, soms om ‘soldaatje te spelen’. (Zie o.a. Helman 1983: 140-143). 

In de verte meert een boot aan met aan boord de commandant Verboom en Malatta, de bastiaan oftewel slavenopzichter.
Mallatta is een verbastering van het woord mulat.
Laurens Verboom (1654-1688) was de commandant die onder Van Aerssen Van Sommelsdijck de strijd aanbond met de Inheemsen die hardhandig tot vrede gedwongen werden. Hij zou samen met de gouverneur ten onder gaan. Ook hier staat hem dit lot te wachten.

De commandant Verboom deelt mee dat Franse piraten onder aanvoering van admiraal Cassard in aantocht zijn.
De admiraal Cassard belaagde in werkelijkheid Suriname pas in 1712.
De admiraal heeft gidsen nodig om Paramaribo binnen te varen. De enige die hem kunnen binnenloodsen zijn de twee ‘esclaves rebelles’ [opstandige slaafgemaakten]. Het koor vult in: ‘Baron et Joli-Coeur!’
Overbodig om te zeggen dat ook zij uit een ander, later tijdperk stammen.

Maar de slavenopzichter Mallatta heeft Joli-Coeur, de man van Betshabee en de vader van hun kinderen Sabacou en Blackfoot, gedood, om andere opstandige slaven een voorbeeld te stellen. Het koor zing weemoedig, maar strijdlustig:  ‘More betre dede, bifo wig gi abra’ (oftewel: liever dood dan ons overgeven).

Mallatta krijgt opdracht de gevluchte slaven Baron,  Sabacou, Bethsabee en Blackfoot terug te halen. Bethasabee herhaalt – vermoedelijk vanuit de verte op een ander podium – dat ze haar verworven vrijheid tot de dood zal bevechten! De gouverneur heeft het laatst woord: ‘Vind het goud, Mallatta!’

Van deze scène is de partituur compleet. 

Afbeelding van de door paarden aangedreven suikermolen uit het werkschrift van Majoie.
Onder de resten van de joodse synagoge in de Jodensavanne, die vooral in Fool’s Gold een rol speelt.
Stedman beschrijft in zijn boek de door het gouvernement georganiseerde jacht op de Marrons. Het is gissen waarom de zwarte marronstrijder Boni die in eerdere versies glorieerde, zijn plaatsje moest afstaan aan Baron. Hoogbergen stelt dat veel vertellingen gebaseerd zijn op het boek van John Stedman (1744-1797), die suggereert ten onrechte dat Baron gezaghebbender was dan Boni. Volgens Hoogbergen was Joli-Coeur een ‘gewone’ strijder en geen hoofdman. Paste Majoie haar verhaal naar aanleiding van lezing van Stedmans reisbeschrijvingen aan, terwijl ze zich eerder baseerde op andere bronnen?  Wie het weet mag het zeggen.
Jan Nepveu
was gouverneur tijdens deze turbulente periode, maar het is onwaarschijnlijk dat alleen hij model stond voor de naamloze Gouverneur in de opera. Voor een groot deel lijkt Van Sommelsdijk dit te zijn.
Jodensavanne staat op de Werelderfgoedlijst. 
F. Ellen de Vries 2023 
Schilderij van Nola Hatterman: Verdediging van Fort Buku (1970), (c) erven Baag, foto Roy Nankoesingh.. Het fort is versterkt met  een palissade.  In 2004 ging men op zoek naar dit Fort.  Lees  hier meer ver slavernij en zwart verzet daartegen.
Fort Zeelandia met uitzicht op de Surinamerivier, anno 2023, F. Ellen de Vries

AKTE 1, scène 2 (in andere versies scène 3), Baron en Sabacou bevinden zich in het bos, tegen de achtergrond zien we het Fort Buku (bij die scène 3 bevinden ze zich bij de Suikermolen in de Jodensavanne).

Baron en Sabacou zingen een duet (download de transcriptie voor mezzo-sopraan, bas en pianobegeiding, en download enkele pagina’s van de opera, zie voor het libretto de INTRO).
Sabacou is bang en treurt, dat ze nooit zal vergeten hoe de slavenopzichter Mallatta haar vader Joli-coeur doodde. Baron zegt: ‘Je vader was sterk en goed.’ Maar, ze moet het gebeurde nu achter zich laten, en hém helpen. Anders zijn ze allemaal reddeloos verloren. Sabacou kent, net als de trekvogel waarnaar ze vernoemd is, elk geheim paadje in het bos. Baron vraagt haar hem de weg naar Paramaribo te wijzen. Hij weet dat de Franse admiraal [Cassard] de haven van Paramaribo wil aanvallen. Zodra de haven in zijn handen is, zal de admiraal de gouverneur van Het land zonder naam vragen alle slaven vrij te laten (zie kader/ foto-onderschrift), ook zal hij een ton suiker eisen. Destijds was dit exportproduct een fortuin waard.
Baron moet de admiraal dan wel eerst de haven van Paramaribo binnenloodsen. 
In de beschikbare partituur lijken deze laatste regels uit het libretto te missen.

Sabacou ziet ineens een schim door de bomen en zegt angstig: Degene die men niet bij naam mag noemen [de Prins], bespiedt ons. Baron ziet niets. Bovendien: zij noemen zijn naam niet en zijn evenmin uit op zijn goud, dus hebben ze niets te vrezen. Baron: ‘Op naar Paramaribo, Sabacou!’. 

Van deze scène is de partituur vrijwel volledig.  

 

Sabacou [Sabaku] van Dominique Pluvier
Plaatje uit het werkschrift van Majoie: Paramaribo aangevallen door piraten. Uit angst voor de veroveringsdrift van admiraal Cassard stuurden veel plantage-eigenaren hun slaven het bos in, zodat ze niet in Franse handen zouden vallen. Velen voegden zich bij de Marrons, die daar  eerder naartoe gevlucht waren . In haar opera geeft Majoie een andere twist aan deze historie door Cassard als redder van de slaafgemaakten voor te stellen..  
Konvooi uit Afrika uit een latere periode,
© Leemage / Getty Images
Uit archiefonderzoek blijkt dat Majoies Afrikaanse overgrootmoeder, de slaafgemaakte Clementina Christina Rogers (1838-1926)  op de katoenplantage Leasowes woonde, evenals Chrisina’s moeder: Auba Carolina Rogers (1810-1874). Auba moet hebben meegemaakt hoe Tata Colin daar rond 1835 een opstand ontketende die vanwege verraad mislukte en eindigde met zijn ter dood veroordeling.  Foto: collectie Carry-Ann Tjong-Ayong
Afbeelding van een gestrafte slaafgemaakte vrouw in de Boni-trail in Frederiksdorp, Suriname. F. Ellen de Vries
De rol van vrouwen in het verzet tegen slavernij is minder belicht. Anton de Kom schreef in ‘Wij slaven van Suriname’ over de seksslavernij. ‘Wanneer echter de laatste rij der vrouwen naar huis keert door de velden, de zware manden met katoen nog op hun hoofden dragend, dan gebeurt het vaak dat de meester (of in later tijd de administrateur) zijn oog slaat op een der jonge negerinnen en haar wenkt om de katoenmand neer te zetten. Dan begint voor haar, in den nacht, de tweede taak, het voldoen aan de geile lusten van haar meester. Geen enkele vrijstelling bestond voor deze verplichting. Daar de negerslaven immers geen menschen waren, golden voor hen noch de sacramenten der kerk, noch de burgerlijke wetten.’

AKTE 1, scène 3,  Bethsabee is met haar zoon Blackfoot op de vlucht voor Mallatta (in sommige versies zijn scène 2 en 3 omgewisseld).

Op deze plaats (in andere versies  elders) danst de Caraïbische roos haar eerste dans (download hier de gehele partituur van de dans). Het is ochtend: dus is ze getooid in het wit. 

Bethsabee loopt door het bos en torst haar gewonde zoon Blackfoot op haar rug. Vermoeid legt ze hem neer op de grond en gaat naast hem zitten. Blackfoot die door de slavenopzichter Mallatta te grazen is genomen, smeekt haar (in het Engels) om niet te huilen (‘Mama don’t cry’), hem achter te laten en haar weg alleen te vervolgen (download hier een deel van de partituur). Mallatta mag haar niet vinden, hij zal haar doden.  

De Arowak is zachtjes naderbij gekomen, en vraagt Bethsabee wie zij is. 

Dan zingt Bethsabee in een hartverscheurende solo wat haar allemaal is overkomen als klein meisje.
(De tekst van deze bewerking voor sopraan en piano is uitgebreider dan die uit Fool’s Gold).  

Alles wat ze over zichzelf weet is de naam die haar is gegeven: Bethsabee. In haar hoofd hoort ze gesnik en gesteun. Ze verliet  Gorée [het slavenfort Gorée voor de kust van Senegal] via de Poort van tranen [Door of no return]. Schreeuwende en huilende mensen en een man met een zweep verschijnen voor haar geestesoog. Door een sluier van tranen ziet ze zichzelf als een klein meisje, dat snikt en haar moeder aanroept. Verkocht aan de gouverneur van Het land zonder naam, werd ze uitgehuwelijkt aan de rebellenleider Joli-Coeur die door de slavenopzichter Mallatta werd gedood. Baron, de andere rebellenleider, is met haar dochter Sabacou op weg naar Paramaribo. Ze is hier alleen met haar gewonde zoon Blackfoot, die geblesseerd raakte toen hij haar wilde beschermen tegen Mallatta die zich aan haar wilde vergrijpen. Ze zal haar vrijheid tot het bittere einde bevechten, zingt ze vastberaden. 
Hierin is de melodie van het oude volkslied Na 16 april over de naderende afschaffing van de slavernij in 1863 te herkennen.  

In de partituur voor orkest (download hier), die begint met de woorden van de Arowak: ‘Qui est tu? ‘(‘Wie ben je?’) zingt het koor strijdlustig in het Surinaams ‘Voron sa njam oen bifo wi gi abra’ oftewel ‘We zullen ons eerder door wormen laten opeten, dan ons over te geven’. De toonzetting verschilt van de solo hierboven. 

De Arowak vindt dat ze zich moeten verstoppen, in de Jodensavanne, bij de suikermolen van Arbanel. 

Deze derde scène is redelijk compleet, hoewel de verhaallijn soms niet helemaal consequent is. (Vermoedelijk omdat verschillende versies zijn samengevoegd.)

 

Foto Sabacou [Sabaku] van Dominique Pluvier
Het slavenfort op het eiland Gorée (bekijk hier een BBC-reportage): Bethsabee zingt hoe ze vanuit dit fort werd weggevoerd via De poort van tranen, oftewel The door of no return. Lees hier meer over la maison des esclaves..
Op de plantage Frederiksdorp in Suriname kunnen belangstellenden de zogenaamde Boni-trail meemaken. Hierboven een foto van de Door of no return. De gids haalt de boot binnen, die de slaafgemaakten vervoerde naar de Amerika’s.  F. Ellen de Vries

Luister naar het fragment dat tijdens de tour te horen is: de moeder van Boni beschrijft de angstige situatie in de kerker van het slavenfort.
In 2023 was er een musical over Boni. De belangstelling voor zwarte verzetsstrijders en het koloniale verleden is groter dan ooit. Majoie was met haar opera haar tijd ver vooruit. 
Afbeelding dwarsdoorsnede van een slavenschip 

(c) Omroep Zeeland over de verschrikkelijke omstandigheden aan boord van de slavenschepen
 
Plaatje van oosterse instrumenten uit het archief van Majoie

AKTE 1, scène 4 , achter de suikermolen van Arbanel, bij de Jodensavanne zien we Arbanel, Bethsabee en de Arowak. Arbanel verzekert Bethsabee, dat Mallatta haar hier niet zal zoeken, die denkt dat ze in het Fort Buku is. Blackfoot slaapt. Morgen zal hij zich beter voelen en kan hij in vrede op de Jodensavanne werken, meent Arbanel.
Hier doet zich weer de merkwaardigheid voor, dat Arbanel de Jodensavanne voorstelt als een toevluchtsoord. Dat was het voor uit Europa verdreven joden, maar niet voor de slaafgemaakten, zoals Blackfoot.
De Arowak keert terug naar zijn stam en overhandigt Bethsabee de gouden traan.  

Bethsabee neemt de gouden traan – zo mooi, maar hard en koud – in haar handen en zingt dat het triest moet zijn om geen echte tranen te kunnen huilen. Ze heeft medelijden met Degene die niet bij naam genoemd mag worden [de Prins]. Ze siddert. Het lijkt alsof de traan haar iets wil zeggen. Maar ze begrijpt niet wat. Ze hoort een stem die haar ervan afhoudt de traan aan te nemen. 

Arbanel reageert verheugd, met de traan kan ze de gouverneur bewijzen dat de goudstad Manoa bestaat,  ze kan de traan te gelde maken om haar vrijheid te kopen. Het koor valt hem  bij (in het Frans): ‘Verkoop de traan Bethsabee, verkoop de traan en koop je vrij! 
Maar Bethsabee vindt: wat voor zin heeft het om vrij te zijn, als haar kinderen en de haren allemaal slaven zijn? Als ze de traan wil teruggeven aan de Arowak, rent die vlug weg.

Arbanel verlaat de scène en drukt haar op het hart de traan te bewaren, totdat haar zoon wakker is geworden. De volgende dag zal alles er anders (beter) uitzien.

Hiervan is alleen een meerstemmige muzikale bewerking gevonden van de scène, waarin Bethsabee de traan bezingt. (Een deel van scène vier is in een andere versie in scène vijf geschoven.)

Plaatje uit het werkschrift van Majoie: ‘un Arowak’
Jeremias Schwarzer li (blokfluitist) en Egon Mihajlovic (klavecinist) . Luister hier naar hun uitvoering van Raga du Prince in een uitzending van NPO Klassiek, waarin Stephan Sanders praat over inclusie in de klassieke muziek. (Raga du Prince vanaf 11:48-17:00).Die werd in 1996 (in deze of een iets andere vorm) uitgevoerd  in Montenegro, en verscheen in 1999 op cd.
Faja lobi, Surinames nationale bloem, die vurige liefde symboliseert. Foto Ellen de Vries

AKTE 1, scène 5

Het is nacht. Bethsabee vertelt over de geluiden, die alleen de slapelozen kunnen horen,…
Hiervan is geen partituur voor orkest gevonden. Wel is er naast een Franse tekst uit het libretto een Engelse versie beschikbaar: ‘‘Murmurs of the night…’. Daarin komen de regels ‘Tonight.. I feel like crying’ uit haar Blue raga voor. Die ontbreken in het Franse libretto. De zinnen ‘Perhaps the memory of a kiss, I received in a garden long ago…’ zijn hier veranderd in: ‘Perhaps the scent of roses long ago, far away, in a garden… a gate…’ Met een vermoedelijke verwijzing naar de Door of no return (slavenfort).
Ze opent haar hand en kijkt naar de gouden traan, zo mooi, zo hard… (Zie scene 4). 
Ze hoort voetstappen die dichterbij lijken te komen. Dan klinkt ineens de stem van de Prins, die haar vertelt voor sommigen de dood, maar voor háár de schaduw van haar eenzaamheid te zijn. Ook hij is eenzaam, hij wil begrepen worden en geliefd zijn. ‘Kom met me mee Bethsabee, ik bied je al het goud van Manoa als je met me meegaat’, fleemt hij. In ‘Fools gold’ viel Sita Anjali die eer te beurt.

Bethsabee zingt er dwars doorheen, dat hij niets dan een droom is en niet bestaat.
Zoals haar voorgangster Sita Anjali hem ook al zei.
Het goud dat hij haar aanbiedt wijst ze af. Ik wil mijn vrijheid, zegt ze. Als de prins zingt dat de liefde meer waard is dan de vrijheid, vraagt ze: maar wat is de liefde dan?

De Prins put zich uit in een poëtische solo, voorafgegaan door de woorden dat alleen God hem kent: Gado sabi mi.  De liefde, wat is dat? De wind die de rozen streelt? Nee. Het is een vlam die door onze aderen kruipt, duivelse muziek die zelfs het hart van grijsaards doet opspringen.
Hij eindigt met de waarschuwing dat het liefdespad omzoomd is met bloemen, maar ook met bloed. ‘Faja lobi!’ Het koor zingt hem die woorden na. 

Deze solo heeft de vorm van een Indiase raga: ‘Raga du Prince’.

Hiervan zijn verschillende uitvoeringen, een voor orkest, een voor piano, zang en een derde instrumentZe maakte bovendien een prachtige bewerking voor fluit en klavecimbel/bina voor Jeremias Schwarzer en Egon Mihahjlovic. Zie kaders.

Betshabee volhardt in haar weigering met de Prins mee te gaan. Als de Prins zich uit de voeten heeft gemaakt, besluit ze de gouden traan aan Arbanel te schenken.  

Van deze scène is de partituur grotendeels bewaard gebleven.    t

Notitie uit Majoies werkschrift
Eerste blad van arrangement voor klavecimbel / bina (harmonium) en blokfluit van Raga du Prince. 
Eerdere versie van Tonight…
Uit het werkschrift van Majoie: het Gouvernementspaleis, met daarvoor het Oranjeplein, sinds 25 november 1975 Onafhankelijkheidsplein geheten.
Eerste pagina van de muziek bij de solo van Mallatta.
Illustratie uit titelblad van het boek van G.B. Bosch :’Reize naar West-Indie’ met daarop te zien het Gouvernementsplein [Oranjeplein], het -paleis en Waterkant. Via Buku van Carl Haarnack

AKTE 2, scène 1
Deze akte speelt zich geheel af in Paramaribo, rond het Gouvernementsplein dat nu Onafhankelijkheidsplein heet, op het plein zelf en in het paleis van de gouverneur.

De Introductie heet Paramaribo. 
Het is een orkestrale bewerking van de Surinaamse rhapsodie die gebaseerd is op het Surinaamse volkslied Peroen, peroen, mi patron… In de transcriptie voor piano: Paramaribo A is haar Surinaamse Rhapsodie te herkennen. Er is ook een Paramaribo B (download hier), waarvan niet helemaal duidelijk is waar die thuishoort. In de eerste maten is zowel de Surinaamse Rhapsodie als de Indian dance no. 2 te horen (in een andere toonzetting).

Terwijl soldaten, oud-gevangenen, op en neer lopen op  het plein voor het paleis van de gouverneur, zingt en danst Mallatta: ‘Ik dans, lach, huil en kreun, allemaal tegelijk.’
Hier gaat Majoie in op de jeugd van de bastiaan, half wit, half zwart, die de onmenselijke taak kreeg de slaven hardhandig in het gareel te houden.

Mallatta vertelt het afschuwelijke verhaal van zijn jeugd: zijn witte vader zorgde ervoor dat hij een opvoeding kreeg in Paramaribo, maar liet hem op de kade achter, toen hij ‘m naar Holland smeerde. Hij zucht en weent: zijn moeder kon hem niet opvoeden. Ze was pas dertien toen ze hem baarde, hem zogen kon ze niet, omdat de echtgenote van zijn vader haar borsten had afgesneden.
Dit verhaal lijkt een beetje op dat van de wrede slavenhoudster Susanne du Plessis, die de huisslavin Alida toetakelde, omdat haar man een oogje op haar zou hebben. Uit jaloezie zou ze haar borsten hebben afgesneden en die aan haar man als smakelijk hapje hebben geoffreerd.  

Mallatta legt uit dat hij noodgedwongen met zijn schaduw danst; niemand wil met hem dansen. Iedereen vlucht voor hem. Hij voelt zich verscheurd door twee werelden. Hij droomt van het goud, hij fantaseert rijk te zijn en gerespecteerd te worden. ‘Misschien word ik dan niet meer veracht en zal men mij op waarde schatten’, hoopt hij.
Aldus probeert Majoie inzicht te geven in de motieven van de bastiaan, als slachtoffer van de verdeel-en-heers-politiek van de koloniale machthebbers.

Ondertussen jut Mallatta de soldaten, vrijgelaten gevangenen, flink op. Hij zegt dat ze gek zijn om het werk van de slaafgemaakten die naar het bos gevlucht zijn, over te nemen. En ook nog zonder betaald te worden! Het koor scandeert de onsterfelijke zinnen: ‘Hop, Hop, Hop, betalen, betalen, betalen moet je my!’ Dan komt de admiraal, de Franse Cassard, het plein op en danst de Caraïbische roos in roze gekleed haar tweede dans.

Van Mallatta’s solozang- en dans is de partituur beschikbaar, een choreografie ontbreekt. Van de Dans van de Caraibische roos is slechts een orkestratie gevonden. ZIe AKTE 1. 

Uit het archief van Majoie
Boek van Hilde Neus over de verhalen rondom Suzanne du Plessis. Een daarvan is dat zij de borsten afsneed van de huisslavin waarop haar man verliefd was geworden.
Tekening van Majoie, van de Grietje-bie
De Surinaamse vogel de Grietje-bie sprak tot de verbeelding van Majoie. Het zelfgebouwde vliegtuigje van haar man werd ernaar vernoemd. Hier een notitieboekje van een vlucht in Ierland. 

AKTE 2, scène 2
In de tweede scène bevinden we ons in het bureau van de gouverneur. De gouverneur [zonder naam] zit achter zijn bureau. Zijn commandant Verboom staat voor het raam en kijkt uit over het Oranjeplein [Gouvernementsplein]. Hij hoort hoe blij de menigte buiten is met de komst van de Franse admiraal Cassard.  Het koor zingt ‘Sa wanni kom, mik a’ kom’… en aansluitend ‘Nanga pallem widego’, een lied dat op palmzondag wordt gezongen, maar ook op Surinaamse begrafenissen. Het is duidelijk dat er onheil nadert.

Verboom stelt dat de soldaten niet langer het werk willen doen van de slaven, zonder betaald te worden. ‘Ze zijn opgewonden, erger nog, ze dragen wapens!’ Hij waarschuwt dat Mallatta ze opstookt en een revolutie probeert te ontketenen. Ondertussen zingt het koor weer: ‘Betalen, betalen, moet je my!’ De gouverneur geeft opdracht om de admiraal te halen.
In sommige versies danst de Caraïbische roos hier de tweede dans,

De admiraal treedt binnen, gevolgd door een angstige en timide  Sabacou.
Hier mist een stukje in het verhaal, blijkbaar heeft Sabacou Baron vanuit het bos naar de stad geleid en Baron heeft op zijn beurt de admiraal de haven binnengeloodst. Eigenlijk verdwijnt Baron hierna uit het verhaal.

De gouverneur deelt de admiraal mee dat hij de wet vertegenwoordigt, wat de admiraal doet is piraterij! Maar de admiraal vindt dat hij in zijn recht staat. Het land zonder naam behoort toe aan avonuriers. Het koor zingt ‘Paramaribo’. De admiraal eist van de gouverneur dat hij de slaafgemaakten vrijlaat, anders weigert hij de haven te verlaten. De gouverneur weerstreeft [in zijn eigen straatje pratend] dat de mens soms slavernij verkiest boven vrijheid, omdat ze daar nu eenmaal mee bekend is.

Sabacou komt naderbij en verzoekt de gouverneur, dat hij niet alleen de slaven, maar óók de krijgsgevangenen moet vrijlaten, als een gebaar aan haar door Mallatta vermoorde vader Joli-Coeur.
Sabacou kwinkeleert dat ze zo graag vrij wil zijn, een vrije vogel wil zijn, zoals de Grietje-bie: het geelborstje dat vernoemd is naar de klank die het voortbrengt. De gouverneur geeft prompt het bevel de slaven vrij te laten, tot ongenoegen van Verboom. De admiraal is daarmee echter niet tevreden, hij eist ook nog een ton suiker. Als de admiraal het kantoor verlaat, loopt commandant Verboom hem achterna. De gouverneur die blijkbaar niet direct de beschikking heeft over zo’n berg suiker, ziet maar een oplossing: het goud vinden, de stad Manoa vinden! 

Van deze scène  Akte 2 scène 2  (download hier) is de partituur niet volledig aanwezig, er zijn losse aantekeningen en suggesties de muziek in het archief gevonden.

Gouvernementsplein Paramaribo (1905). Buku Bibliotheca Surinamica collectie van Carl  Haarnack
Gouverneur Huender achter zijn bureau, vermoedelijk in het paleis. Hij was gouverneur in een veel latere periode, maar wel de gouverneur die in 1948 samen met zijn gezin Majoies vertolking van haar variaties op het volkslied Peroen, peroen, mi patron… bijwoonde. Die variaties noemde ze Surinaamse rhapsodie.Foto via Nationaal Aerchief Den Haag
 

AKTE 2, scène 3

Mallatta glipt het kantoor binnen en vertelt de gouverneur, dat hij het bewijs heeft dat Manoa bestaat. Hij is erachter gekomen, dat de Prins in het bijzijn van de Arowak een gouden traan huilde. De Arowak schonk de traan aan Bethsabee. ‘Waar is Bethsabee nu?’, wil de gouverneur weten. Achter de molen van Menassa Arbanel, weet Mallatta. Gouverneur: ‘Leugenaar!’ Want hij gelooft eigenlijk niets van zijn verhaal.
Verboom is teruggekeerd en vertelt dat de piraten zich bij de soldaten (vrijgelaten krijgsgevangenen) hebben gevoegd. De staatskas is leeg, er is geen suiker (voor Cassard), de plantages zijn verwoest, de soldaten zijn opstandig en gewapend. Er dreigt gevaar. De gouverneur maant Verboom tot rust en is ervan overtuigd dat het goud van Manoa zijn redding zal zijn. ‘Ga Arbanel zoeken, commandant.’ Verboom verlaat vertwijfeld het podium.

De partituur hiervan is onvolledig

Het paleis anno 2023, F. Ellen de Vries

AKTE 2, scène 4
Arbanel komt in de namiddag het kantoor van de gouverneur binnen, gevolgd door de commandant Verboom. Hij laat de gouden traan zien, die Bethsabee hem geschonken heeft. Hij gelooft stellig, dat de traan vrede zal brengen. Vrede betekent dat alle slaven vrij zullen zijn en dat alle verjaagde volkeren hun toevlucht kunnen nemen tot Het land zonder naam. ‘Vrede is meer waard dan goud. Als de prins de traan terugkrijgt zal hij de banvloek verbreken’, oppert  Arbanel tegenover de gouverneur.

Er vliegt een steen door de ruit. De gouverneur wil de opstandige menigte buiten – de piraten en soldaten (vrijgelaten krijgsgevangenen) – tot bedaren brengen. Maar Arbanel neemt die taak op zich en beent naar buiten, terwijl de gouverneur de traan in zijn zak steekt.
De gouverneur wil ondanks de waarschuwing van Verboom dat niet te doen, de menigte buiten toespreken.  Dan klinkt er een verschrikkelijke kreet. Arbanel valt dodelijk getroffen neer. De roos danst, in het rood, haar laatste dans en verwelkt (in sommige versies gebeurt dat in scène 5). 

Opvallend zijn de koorzangen,  uit ‘Nanga pallem wie de go’ (rouwlied),’Hop, hop. Betalen, betalen, moet je my’, en het oud-Nederlands lied  ‘Gekwetst ben ik van binnen’ bestaan.

De partituur van deze scène is ook onvolledig. 

Afbeelding van Maria Sibilla Merian
In deze notitie staat ook het oud-Hollandse ‘Oh Nederland let op uw zaak…’

AKTE 2, scène 5, speelt zich of op het Oranjeplein (Onafhankelijkheidsplein). 

De gouverneur verschijnt op de trap van zijn bordes. Onderaan de trap ligt het lijk van Arbanel. Voordat de gouverneur een woord kan uitbrengen klinkt er een schot. De gouverneur zakt in elkaar, het tweede schot treft commandant Verboom die hem achternagelopen is. De gouverneur probeert zich op te richten, Sabacou schiet te hulp en ondersteunt hem. Het koor zingt grimmig: ‘Hij was streng, grimmig en onbeschaamd, betalen, betalen, hetalen, moet je mij. En in het Arowaks klinkt het: ‘Wani huyana, He ye ye yo wai’.  

De verteller laat weten dat de gouverneur vrede wenste. De gouverneur richt zich tot Sabacou en geeft haar met een lachje de gouden traan: ‘Dochter van Bethsabee en Joli-coeur kom naderbij, geef de gouden traan aan de prins en zeg je moeder…’
Vertwijfeld vraagt Sabacou, wat ze haar moet zeggen: ‘Sterf niet gouverneur, help!’ 

Terwijl de slaven naderbij komen en zachtjes zingen, dat de gouverneur Het land zonder naam juist heeft bevlekt en geen vrede bracht, richt de gouverneur zich moeizaam op.  Voordat hij sterft weet hij nog uit te brengen: ‘Zeg Bethsabee dat de eer zwaarder weegt dan de vrijheid…’ De slaven duwen Sabacou opzij en voeren de gouverneur af.

In de map over deze scène bevinden zich losse muziekstukken, o.a. het eerder genoemde ‘Paramaribo B’ en ‘Gekwetst ben ik van binnen’ plus een notitie van het scabreuze Surinaamse liedje ‘Te na baka Thalia’. Er is ook een solo van Sabacou in een niet-orchestrale, eenvoudige bewerking. In de vioolpartij daarvan is de ‘Na 16 april’ te herkennen.

 

Moord op Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk, 1688, Reinier Vinkeles (I), naar Jacobus Buys, 1780 – 1795 , collecite Rijksmuseum  
Bethsebee en de Prins
Majoies oma Carootje stond model voor Bethsabee, een van haar doopnamen was Batseba Zie stamboom Foto collectie erven Hajary/ Carry-Ann Tjong-Ayong

AKTE 3

Akte 3. Deze akte bestaat uit vier scènes, die ik in een take beschrijf.

We zien de top van de Kassikassima in een apocalyptische, duistere, dreigende sfeer gehuld. Niets glitter of goud. Een voor het eerst zien we de directe omgeving van de stad Manoa. Rondom de bomen sluipen zeldzame dieren en monsters. De Prins treurt en zingt, dat hij zich opgesloten voelt in zijn stad. Wat is hij anders dan een gevangene. ‘Mij vergaat het als de slaven, ik ben meer waard dan men denkt dat ik waard ben.’ Hij heeft de begerige goudzoekers allemaal langs zien komen, in alle gedaanten. 
Hier komt het koor van de blondgelokte Amazones weer tevoorschijn. Volgens het libretto produceren alle instrumenten een triller die minutenlang aanhoudt. In de bas wordt de Raga van de prins dertien maal herhaald, Gado sabi mi. Alleen God kent de prins. De prins klaagt dat hij niets meer is dan een droom, hij kan niet liefhebben. Hij waarschuwt de dwazen die naar hem op zoek zijn om niet hun leven te wagen. ‘Dwing mij niet om gemeen te worden.’ Jullie krijgen wat jullie verdiend hebben: dood, vertwijfeling, bitterheid
Hij is moe en uitgeput, al honderden jaren… Hij wil niet meer bestaan… Manoa bestaat niet.

In de tweede scène achtervolgt Mallatta Blackfoot in een kat-en-muis-spel. Met de gouden traan die hij van Bethsabee heeft gekregen lokt Blackfoot Mallatta naar de top van de Kassikassima, naar de goudstad Manoa. Hij is zich ervan bewust dat deze tocht hen beiden de kop zal kosten,  maar weet met de dood van Mallatta zijn ouders gewroken. 
Een donderslag doet de Kassikassima schudden, het licht valt uit. De mannen storten neer.
Niet lang daarna vindt Betshabee het gewonde lichaam van haar zoon naast dat van Mallatta op de berg. Zij neemt haar zoon in haar armen en streelt hem zachtjes. Blackfoot komt al stervende tot het inzicht dat wraak zinloos is, alleen liefde kan haat vervangen. ‘We moeten de Prins zijn traan teruggeven, hem zijn trots teruggeven. Je moet alleen verder gaan, mama en me hier achterlaten.  Mama don’t cry’. Deze scène zagen we eerder bij Akte 1.
Hij sterft in de armen van zijn wanhopige moeder. Zijn gebalde hand valt open en daaruit rolt de traan. Bethsabee  neemt de traan en verlaat met vastberaden tred het podium.

In de derde scène is Bethsabee midden in de nacht op weg naar de top van de Kassikassima. Daar aangekomen in de vierde scène, roept ze tegen de prins dat ze vrijwillig naar hem toe komt en zijn traan bij zich heeft.  De prins antwoordt: ‘Dwaze vrouw, keer om voor het te laat is. Jou alleen sta ik toe terug te keren.’ ‘Waarom’, vraagt Betshabee, ‘sta je alleen mij toe terug te keren?’ De Prins zingt dat alleen zij hem wist te doorgronden, dat hij helemaal niet bestaat en niet liefhebben kan. Maar dan vleit Bethsabee hem: ‘Eldorado, Prins der dromen, het is voortreffelijk dat je bestaat, want wie kan er zonder dromen. We hebben je allemaal nodig. Als we teleurgesteld, neerslachtig en somber zijn, zijn dan niet onze eigen vergissingen daar schuldig aan? Is het niet menselijk om goud met eer te verwisselen? Zij die het goud zochten geloofden er eer mee te kunnen behalen. Neem uw traan, prins van Manoa, ik verlaat je nu.’ 
Ze opent haar hand om de prins de traan te geven, maar ziet dat de traan is gesmolten in haar handpalm en zich met andere tranen heeft vermengd. Betshabee: ‘Begrijpt u wat dat betekent? U bestaat, prins, want u kunt huilen. U kunt lijden… Ze valt hem in de armen en omhelst hem langdurig. De prins stamelt: ‘Ik kan lijden en liefhebben!’ En sterft in haar armen.

Bethsabee vervult hier de rol die Sita Anjali eerder kreeg in Fool’s Gold. Daar bleef de Prins nog leven, hier sterft hij. In een commentaar zou Majoie later opmerken, dat de prins sterft omdat hij eigenlijk niet in dromen gelooft.

In de map van de laatste Akte zitten een fuga en prelude waaruit ze putte voor haar stuk ‘Play koto’, de derde Fuga had ze bedacht voor het Kat-en-Muis-spel tussen Blackfoot en Mallatta, waarin Blackfoot Mallatta de dood inlokt. Er is een notitie waarin ze schrijft over de Raga du désespoir. Dat zou kunnen terugverwijzen naar de eerste scène van Akte 3. Bij Akte 1, scène 5 zijn drie verschillende partituren vermeld, mogelijk is een daarvan (de orkestrale bewerking van) deze Raga van de Wanhoop.

In een andere notitie noemt ze de Blue Raga (download) als sluitstuk (Coda) van de Opera (elders staat Blue Raga vermeld bij Akte 2.) Daarvan bestaan verschillende arrangementen. De Blue Raga begint met de woorden ‘Tonight I feel like crying, I don’t know why….’ De muziek daarvan is gebaseerd op een compositie uit haar Amsterdamse tijd (1938/ 1940). De laatste woorden ‘But now I remember  why …’ vormen na dit hele exposé een passend slotakkoord.

Hier springen Blackfoot en Mallatta hand in hand naar beneden (uit het werkschrift van Majoie)
De rol die Sita Anjali vervulde in Fool;s Gold is nu voorbehouden aan Bethsabee. Helaas is er van Bethsabee geen afbeelding in het werkschrift van Majoie.
Laatste regels van ‘Tonight…’ in weer net iets andere bewooordingen, uit het werkschrift van Majoie.
Tonight I feel like crying in het Surinaams
Uit het archief van Majoie: de 1 juli viering
Optocht door de straten van Paramaribo (Prodowaka) op 1 juli 2023. F. Ellen de Vries

TOT BESLUIT

Sommige scènes zijn hier twee keer beschreven. Dat komt doordat het eerste deel van de beschrijving van deze opera gebaseerd is op aanwezige muziekstukken/ partituren. Die ontbreken in de latere Aktes of zijn in haar archief slechts aanwezig in de vorm van notities en enkelvoudige muziekstukken. Bij de beschrijving van die Aktes verlaat ik me op het libretto, waarvan meerdere versies zijn, die niet altijd goed aansluiten bij de muziek. Maar de kern van het verhaal is duidelijk.
Ik heb gebruik gemaakt van de enige Duitse vertaling van het libretto Die goldene Träne, La larme d’or version 4 juillet 1999 (met het opschrift Wan Goutoe Kre) en een andere niet gedateerde versie. 

Volgens familie was Majoie Hajary tot op haar sterfbed bezig met haar La Larme d’or. Toch slaagde ze er niet in de opera te voltooien of uitgevoerd te krijgen. Of ze daarover verbitterd was, is de vraag. Het bood haar in elk geval de mogelijkheid om in haar fantasie met haar geboorteland bezig te zijn, het droomland van haar jeugd, dat natuurlijk al lang niet meer bestond.
Verbitterd over het leed dat de Nederlandse overheersers en plantagehouders haar Afrikaanse, Chinese en Hindostaanse voorouders hebben aangedaan, was ze evenmin. In haar opera vallen ze weliswaar allemaal dood neer, toch nagelt ze ze niet voortdurend aan de schandpaal. Ze suggereert hier en daar, dat ze berouw hebben en in hun diepste wezen toch ook een hart hadden. Dat doet soms wat gekunsteld aan, want brave borsten waren het allerminst. Mallatta, de slavenopzichter, lijkt soms nog de grootste booswicht te zijn. Ze laat zien  hoe hij tot zijn daden kwam. Verdeel-en-heers was een beproefde methode van de kolonisator. Ook Mallatta verwart goud met geluk cq erkenning.
De grote onderliggende thema’s  – ook voor andere versies van de liedteksten  – zijn berouw, verzoening cq liefde, als voorwaarde voor een vrij en vredig land: Suriname. Hoop op betere tijden is daarvoor onontbeerlijk. En hoe actueel is dat wel niet? 

De partituren en liedteksten zijn eigendom van het Nederlands Muziek Instituut in Den Haag. Op verzoek kunnen muziekstukken worden gekopieerd. Ik werp musicologen en musici graag de handschoen toe om deze originele opera verder uit te pluizen of misschien zelfs af te maken en  in elk geval (delen ervan) uit te voeren.  

Ellen de Vries, biograaf van Majoie Hajary  (1921-2017)
Voor foto’s en rechthebbenden zie COLOFON  

Onder: Majoie Hajary tijdens een van haar laatste optredens
Boek van fotograaf en schrijver Roy Tjin over de onafhankelijkheid van Suriname in 1975
Vice premier en de minister van Buitenlandse Zaken van Nederland Wobke Hoekstra op 1 juli 2023 in Suriname bij het beeld van Kwakoe waar zojuist de kranslegging heeft plaatsgevonden. Hier naast de president van Suriname: Chandrikapersad Santokhi. Een historisch moment: Nederland bood excuses aan voor de gruwelijke mensenrechtenschendingen tijdens de koloniale periode. F. Ellen de Vries.

Introductie

Eldorado

Het ballet (1980)

Eldorado

Het ballet (1980)

Fool’s Gold

12 december 1985

Fool’s Gold

12 december 1985

Story of Suriname

17 november 1987

Story of Suriname

17 november 1987

La larme d’or

Eind ’80 tot 2017

La larme d’or

Eind ’80 tot 2017

Bij de samenstelling van deze site is zeer zorgvuldig omgegaan met naamsvermeldingen, bronvermeldingen en copyrights. Mocht u werk van uzelf tegenkomen of herkennen zonder naamsvermelding, neem dan contact op met de sitebeheerder Ellen de Vries.
© ALL RIGHTS RESERVED ELLEN DE VRIES | WEBSITE GEMAAKT DOOR: REINIER MATHIJSEN