AKTE 3
Scène 1
Op de top van de Kassikassima worstelt Degene wiens naam met niet mag noemen met zichzelf. Hij voelt zich een gevangene van al zijn goud. Hij kan niet huilen, niet liefhebben, niet sterven. Het goud is niets anders is dan stof, ijdelheid. ‘Dwing me niet om gemeen te zijn’, roept hij uit in zijn solo. ‘Benader me niet meer, laat Elodorado met rust.’ Het koor valt hem bij: ‘Auri Sacra Fames’, Latijn voor ‘Vervloekte goudhonger!’
Scène 2
In de volgende scène arriveert een schip uit Brits-Indië in Paramaribo, met aan boord de Hindostaanse emigranten Kuli, Sita Anjali (Sita is ook de naam van Majoies dochter) en hun bediende Malik. De vrouw van Kuli overleed tijdens de overtocht van India naar Suriname in de volgepropte boot, zo vernemen we.
Kuli verwijst naar de oude in onbruik gemaakte benaming voor vaak ongeschoolde arbeiders uit India.
Op het plein voor het paleis van de gouverneur beweegt Sita Anjali, die het dansen niet laten kan, op de klanken van Indiase tabla en tanpura, terwijl Kuli de joodse planter Arbanel vertelt, dat hij uit Bihar komt. Droogte noopte hen India te verlaten. Arabanel stelt de nieuwkomers voor aan zijn Chinese assistent uit Hong Kong: de wijsgeer A sa moi.
Het koor zingt het oude Surinaamse volkslied ‘Na zestien april, mi boto lai, na Tapanahony mi de go…’ (zie uitleg) dat in deze context eerder naar de goudkoorts dan de naderende afschaffing van de slavernij lijkt te verwijzen. Kuli wil graag het land bewerken. Maar Sita Anjali droomt van het Kasikasimagebergte, niet vanwege het goud, maar vanwege de watervallen, die vertegenwoordig leven, gezondheid en geluk, vindt Anjali.
Scène 3
Ondertussen staat de suikermolen bij de Jodensavanne in brand. Er klinken schoten. De Marrons hebben hun aanval ingezet; de Caribische roos begint – in rood getooid – aan haar zwanenzang.
Dobberend in hun boot komen nu ook de joodse planter Arbanel, de Chinese wijsgeer A sa Moy, de Hindostaanse Kuli en zijn dochter Sita Anjali aan bij de suikermolen.
Ze zien de Arowak die de zwaargewonde en stervende Bethsabee in zijn armen draagt. Hij vertelt hoe zij de molen met man en macht tegen Boni en zijn mannen verdedigde. Nog een schot: de Arowak wordt geraakt. Voordat hij de eeuwige jachtvelden binnentreedt, overhandigt hij snel de gouden traan aan Arbanel. Die wordt ook neergeknald en vertrouwt de traan, al stervende, toe aan Sita Anjali. Die moet de traan naar Degene wiens naam men niet mag noemen brengen om zo zijn vloek te verbreken. Dan zal het land gered zijn.
Scène 4 en 5
De Chinese wijsgeer A sa Moy zegt tegen Sita, dat hij denkt dat Degene wiens naam men niet mag noemen eigenlijk niets anders wil dan vrede voor het land. Hij begeleidt haar tot halverwege de Kassikassima. A sa Moy vraagt, onzeker over haar lot: Keer je wel terug? Zeker, antwoordt Sita Anjali relotuut, en ze belooft dat ze – eenmaal teruggekeerd – haar vader zal helpen het land te bewerken. Ze gaat alleen verder.
Scène 6
Onverschrokken beklimt Sita Anjali de Kassikassima, met de traan in haar hand. Eenmaal op de top, waagt ze het om het wezen aan te kijken en nota bene aan te spreken met ‘prins’. Die waarschuwt haar terug te keren naar de bewoonde wereld, voor het te laat is. Waarom hij haar níet doodt en die anderen allemaal wel heeft vermoord, vraagt ze. Niemand keerde ooit levend terug van de berg. De prins verklaart: ‘Omdat alleen jij raadde dat ik niets anders dan een droom ben en dat ik niet besta, Sita Anjali.’ Zij antwoordt hem dat hij gelukkig wél bestaat. ‘We hebben u nodig, we kunnen niet leven zonder dromen. Als we soms teleurgesteld en verbitterd zijn, komt dat dan niet door onze eigen fouten? En is het niet menselijk om goud te verwarren met geluk?’
Sita Anjali opent haar hand om de gouden traan te overhandigen. Die blijkt te zijn versmolten met de tranen en zweet van de anderen. Terwijl er muziek klinkt, roept de prins van Eldorado verheugd: ‘Ik kan huilen, ik ben niet langer vervloekt.’ Sita Anjali zegt: ‘U hebt nu een hart en ziel, Eldorado.’ De Prins jubelt: ‘Ik kan nu liefhebben, liefhebben, liefhebben.’
Scène 7
Het koor zingt over een vrij Paramaribo in 1975.
