De vier versies van de opera waaraan ze de helft van haar leven wijdde en die het meest van elkaar verschillen, zijn:

Introductie

Eldorado

Het ballet (1980)

Eldorado

Het ballet (1980)

Fool’s Gold

12 december 1985

Fool’s Gold

12 december 1985

Story of Suriname

17 november 1987

Story of Suriname

17 november 1987

La larme d’or

Eind ’80 tot 2017

La larme d’or

Eind ’80 tot 2017

2. Fool’s Gold (1985)

Voorkant Fool’s Gold

Intro

Fool’s Gold, Goud der dwazen, heet het Franstalig libretto, met als ondertitel (uit het Frans vertaald): De geschiedenis van mijn land verteld aan mijn zoon Sébastien, een opera in drie aktes.’ Het verhaal is drastisch veranderd. De goudrijk van de prins van Eldorado wordt ook wel aangeduid als ‘Het land van het heilige wezen’ en de prins heet nu mysterieus ‘Degene die men niet bij naam noemt’. Volgens Majoie is dat de letterlijke vertaling van de vroegere benaming voor de geografische regio ‘Guyana’, waartoe Suriname behoorde. ‘Guya’ zou ‘land’, en ‘iana’: ‘zonder naam’ betekenen, in een van de talen van de oorspronkelijke bewoners, de ‘Indianen’, oftewel de Inheemsen. Het heilige wezen personifieert het land zonder naam, dat uiteindelijk Suriname zal gaan heten.    

Uit het werkschrift van Majoie Hajary, zie de opmerking rechtsboven dat de ‘Indianen’ een belangrijke bijdrage leverden aan de naamgeving in Suriname
Verdrag van Tordesillas, Nationale Bibliotheek van Lissabon
Marrons anno 1920, uit de collectie van Buku Bibliotheca Surinamica van Carl Haarnack

Tijdlijn

Nieuw is de tijdlijn. Majoie snelt met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van Suriname. Ze begint in 1494, bij het verdrag van Tordesillas, dat de Spaans/ Castiliaanse en Portugese landrovers opstelden om de buiten Europa ‘ontdekte’, cq buitgemaakte gebieden onderling te verdelen. Van de 15e hopt ze naar de 17e eeuw, toen uit Brazilië verdreven joden zich onder Engelse heerschappij in Suriname vestigden, en Nederland het land vervolgens in beslag nam. Dan een hinkstapsprong naar de 18e eeuw, waarin haar tweede vaderland Frankrijk zich roerde in de persoon van de piraat Jacques Cassard. 

In 1712 overviel de Franse piraat Jacques Cassard (1679-1740) onder de koningsjubel ‘Vive le roi’ het Fort Zeelandia in Paramaribo, en eiste losgeld. Slaafgemaakten werden door hun bazen – veelal joodse planters ­– opzettelijk het oerwoud ingestuurd om zo uit handen van de Fransen te blijven. Velen keerden natuurlijk nooit meer terug, maar voegden zich bij de naar het oerwoud gevluchte plantageslaven: de Marrons. 

In haar chronologie vermeldt Majoie hoe er vervolgens onder de zwarte verzetsheld Boni een groep Marronrebellen ontstond die de plantages overviel.
In feite stichtte Asikan Sylvester de rebellengroep. In 1765 gaf hij het stokje over aan Boni.

In 1863 kwamen alle slaafgemaakten officieel vrij; de tijdlijn meldt nog de komst van de oosterse emigranten en eindigt een kleine eeuw later, in 1975, bij het onafhankelijke Suriname. 

ln de bijsluiter de opmerking, dat historische figuren uit verschillende tijden elkaar in haar opera ontmoeten. Die verdichting is een slimme truc, passend binnen het genre van de opera waarin fantasie en werkelijkheid vaak leentjebuur spelen. Het biedt de mogelijkheid om in kort bestek belangrijke gebeurtenissen aan te kaarten.

Gravure van Pierron, Les archives départementales, Nantes 
Plaatje uit het werkschrift van Majoie: piraten die het Fort in Paramaribo belagen.
De afbeelding in zwart-wit komt uit een werkschrift van Majoie. Zij noemt de bloem de Roos van de Caraïben, naar een afbeelding van Maria Sibylla Merian, die eind 17e eeuw naar Suriname reisde en de insectenwereld van Suriname in kaart bracht. 

PERSONAGES, ROLLEN EN MUZIEK

In dit script worden de personages uitgebreid beschreven. De antagonist, de prins, is dus ‘Degene die men niet bij naam noemt’ of mág noemen. De andere personages zijn:  Bethsabee [Batseba is een van de doopnamen van haar geliefde Oma Carootje], een jonge zwarte slaafgemaakte vrouw, en haar kreupele slaafgemaakte zoon Blackfoot, Menasse Arbanel, een Portugese jood [mogelijk gemodelleerd naar de joodse kolonist David Cohen Nassy, stichter van de Jodensavanne], een Engelse lord en een gouverneur ‘Zeelandais’. De laatste twee heren worden slechts aangeduid met hun functie. 

De namen van de volgende drie mannen verwijzen naar hun etnische groep: Mallatta, een verbastering van het woord ‘mulat’,  Mallatta is de bastiaan oftewel slavenopzichter, Kuli, representeert de Hindostaanse emigranten en de Arowak vertegenwoordigt de groep Inheemsen:  de eerste bewoners van Suriname. Dan zijn er nog Kuli’s dochter Sita Anjali, Kuli’s bediende Malik en de Chinese wijsgeer A sa Moy. Een verteller (lid van het achtkoppige mannenkoor) loodst ons door het verhaal. Een ballerina voert de dans van de Roos van de Caraïben uit. Die verschiet gedurende de dag van kleur: van wit in de ochtend, roze in de middag tot rood in de avond, als ze vergaat. 

Het libretto geeft wel een beschrijving van het orkest, maar in haar archief bevindt zich geen partituur noch een muziekregistratie die hier precies bij aansluit. Hieronder vat ik het verhaal samen. 

Foto van oma Carootje [een van haar doopnamen is het op Bethsabee gelijkende Batseba] op haar 50e verjaardag
Een illustratie van een Inheemse uit een werkschrift van Majoie Hajary
Het Kassikassimagebergte, uit Fool’s Gold
De beklimming van het 718 meter hoge granieten gebergte met maar liefs 12 toppen langs denderende stroomversnellingen is alleen voor avontuurlijke natuurliefhebbers weggelegd, aldus de aanprijzing van touroperators anno nu. En toen was het  natuurlijk niet anders. 
Uit Fool’s Gold: het bos waarin Bethsabee achterblijft, te herkennen als een gravure van de Belgische kunstenaar en avonturier P.J. Benoit die naar Suriname trok en over zijn verblijf  ‘Voyage à Surinam’ schreef ,dat in 1839 werd gepubliceerd. Deze illustratie heet Vlinderjacht.
Plaatje van een plantage, de man met de zweep is een bastiaan ofewel slavenopzichter. Illustratie uit het boek van Pistorius (collectie: Buku Bibliotheca Surinamica)
Plaatje uit Fool’s Gold: het  slavenfort op Gorée-eiland. Gorée – mogelijk een verbastering van de plaatsnaam Goedereede op het Zuidhollandse eiland Goeree-Overflakkee – is een eiland voor de kust van Senegal, dat in 1617 door de Nederlanders werd gekoloniseerd. Het veranderde een paar keer van eigenaar tot het in 1960 als Franse kolonie onafhankelijkheid verwierf. ‘Maison des esclaves’, tegenwoordig een toeristische bezienswaardigheid, staat symbool voor de transatlantische slavenhandel. Majoie suggereert, dat haar voormoeder via Gorée Afrika verliet. DNA-onderzoek bij familieleden wijst voorlopig uit dat er een sterke match is met  voorouders uit Nigeria en Sierra Leone, en in mindere mate met Senegal. Werd  haar voormoeder niet in een mist van tranen via Gorée-eiland, dan toch wel via het slavenfort Fort Elmina of Fort Amsterdam weggevoerd.  

HET VERHAAL IN DRIE AKTES
AKTE 1

Majoie situeert de gouden stad Manoa in het goudrijk Eldorado op de top van het grillige Kassikassimagebergte in zuid-Suriname.  

Scène 1
De scène begint in het Inheemse dorp  Paloumeu [Paloemeu] aan de Tapanahonyrivier met op de voorgrond de hutten van de Inheemsen en op de achtergrond achtergrond [40 kilometer verderop] het machtige gebergte. De verteller onthult, dat geen enkele bezoeker ooit ‘Degene wiens naam men niet mag noemen’ in de ogen zag. Zijn blik is dodelijk.

Maar op een dag daalde het heilige wezen de berg af naar Paloemeu en zei tegen de Arowak die hij daar aantrof, dat dit land zijn volk toebehoort. 
Met dit begin brengt Majoie een ode aan de oorspronkelijke bewoners van Suriname die vaak over het hoofd zijn gezien.

De Arowak weigert de sleutel aan te nemen die toegang geeft tot Eldorado. Hij denkt voor de gek gehouden te worden! Teleurgesteld huilt het heilige wezen, degene die men maar beter niet bij naam noemt, een traan. Een traan van goud zo groot als een duivenei. Vervolgens keert hij  als een bliksemschicht terug naar de Kassikassima. Daar stoot hij een langgerekte jammerklacht uit die het woud laat trillen en het bloed doet stollen in de aderen van de Arowak. De Arowak raapt de traan op. 

Het heilige wezen vervloekt de rovers die zijn Land zonder naam durven binnenvallen; ze zullen naar de verdoemenis gaan. Hij voorspelt, dat de Arowak zijn traan aan de stervende jood Arbanel zal overdragen, die het op zijn beurt aan een jong meisje overhandigt dat met gevaar voor eigen leven de Kassikassima bestijgt om hem, het heilige wezen dat men niet bij naam mag noemen, de gouden traan terug te geven. Dan zal het land Suriname heten en zijn alle bewoners vrij.

Scène 2
Via een film- of fotoprojectie ziet het publiek hoe de goudzoekers en ‘conquistadores’ (veroveraars), in zeilboten de kust van Het land zonder naam bereiken. [Majoie situeert dat in 1600]. Op het toneel schijnt een verblindend licht, terwijl er harde rockmuziek klinkt en de witte Caraïbische Roos, een in het wit geklede ballerina, haar eerste passen op het podium zet.

Scène 3
Betshabee en haar zoon Blackfoot bevinden zich in het bos, zoals het oerwoud in Suriname genoeglijk heet. Ze zijn op de vlucht voor de slavenopzichter Mallatta. Toen Blackfoot zijn moeder verdedigde tegen diens handtastelijkheden, verbrijzelde Mallatta zijn been. Bonkoro, djeri didibri (gele duivel), scheldt het koor Mallatta uit in het Surinaams. (De koorzangen zijn zowel in het Frans, Surinaams als Inheems.) Blackfoot smeekt zijn moeder hem achter te laten en zichzelf te redden. Nooit!, roept ze hartstochtelijk.

Vermoedelijk zijn de aantallen nog hoger, bron: Saamaka marronmuseum Pikin Slee Suriname

De Arowak heeft hen bespied en komt nu zachtjes naderbij. Hij verbindt Blackfoots voet en zet zich naast Bethsabee. Wie is zij? Bethsabee zingt in een hartverscheurende solo, dat ze zich herinnert hoe ze als klein meisje het eiland Gorée [Senegal], verliet via de Poort van tranen en hoe ze na te zijn verkocht aan een slavenmeester samenleefde met haar zoon, totdat Mallatta diens vader, haar – slaafgemaakte – man voor haar ogen doodde.

‘Ik ben uitgeput, mijn zoon is stervende, wij zijn op weg naar Parmaribo, maar de weg is lang…’ De Arowak belooft zich over Blackfoot te ontfermen. Bethsabee blijft achter in het bos.

Scène 4
De volgende scène speelt zich af tussen de Lord en slavenopzichter Mallatta. Op Tangomuziek die steeds luider en indringender wordt, gebiedt de Lord Mallatta Bethsabee en Blackfoot terug te brengen. Anders maakt hij hem weer tot slaaf. Paniekerig beloof Mallatta dat en legt zijn meester een plannetje voor. Hij heeft vernomen, dat Blackfoot zich verstopt in de Inheemse plaats Cassipora, in de suikermolen van de joodse Menasse Arbanel. Blackfoot zou de weg weten naar de goudstad op de top van de Kassikassima! De lord die graag zijn lege schatkist gevuld ziet, geeft Mallatta toestemming om Blackfoot te bespieden en te volgen. ‘Handel!’, gebied hij hem.

Scène 5
Filmbeelden van de gruwelijke 14e en 15e eeuwse Jodenvervolging van Spanje en Portugal dienen ter introductie van Arbanel, die zich in de Jodensavanne vlakbij het Inheemse dorp Cassipora bevindt. Op de achtergrond zien we een suikermolen. In een duet met Blackfoot vertelt hij over zijn droom: de bouw van de joodse synagoge bij de suikermolen. ‘Mijn God is ook de jouwe, Blackfoot’, verzekert hij Blackfoot, ‘in de suikerrietvelden leven we in vrede.’ 
Dit is wel een heel rooskleurige cq onwaarachtige voorstelling van zaken.
Maar Blackfoot heeft iets anders aan zijn hoofd, hij vertelt Arbanel over het goud op de berg de Kassikassima. ‘Je denkt te veel aan goud’, vindt Arbanel. Blackfoot legt uit waarom. Hij is bezorgd om zijn moeder Bethsabee.  ‘Wij zijn slecht behandeld door de slavenopzichter, bastiaan Mallatta. Hij verkrachtte mijn moeder, sloeg mijn vader dood en verbrijzelde mijn voet toen ik haar wilde verdedigen.’ Met het goud wil hij haar vrijheid kopen. 

Scène 6
Bethsabee heeft zich verstopt in een hut, midden in het bos, waar ze midden in de nacht een geheimzinnige ontmoeting heeft met Degene wiens naam men niet mag noemen. Twee eenzame zielen. Hij vraagt haar mee te gaan naar de berg. Zij ziet hem niet, maar hoort hem alleen. Wil ze niet weten wie hij is? Nee! Ze vlucht richting Cassipora, naar haar zoon Blackfoot.    

Het land zonder naam, uit Fool’s Gold’s
De kust van Suriname in 1600, uit Fool’s Gold
Suikerplantages van joden in de Caraïben
Arbanel lijkt een fantasiefiguur te zijn, zijn verhaal staat voor de geschiedenis van de verketterde Sefardische joden die in de 15e eeuw de Spaanse inquisitie in Europa ontvlucht, asiel zochten in Nederlands-Brazilië en uiteindelijk de wijk namen naar Suriname.  
Majoie doet voorkomen alsof de vervolgde joden in Suriname op de plantages die ze beheerden geen vlieg kwaad deden als ze Arbanel laat zingen: ‘In de suikerrietvelden leven we in vrede.’ In werkelijkheid telde de Jodensavanne zoals het gebied bij Cassipora later heette meer dan 40 plantages met 9000 slaafgemaakten. David Nassy, zoon van de gelijknamige stichter van de Jodensavanne, moest heel wat aanvallen van de Marrons neerslaan, en legde uiteindelijk het loodje.
Toen Nederland, of eigenlijk Zeeland, in 1667 Suriname veroverde, liet het de verworven rechten van de joden ongemoeid. Ze kregen toestemming om een eigen gemeenschap te stichten, compleet met synagoge en begraafplaats. De in 1685 gereedgekomen synagoge Berachah Ve Shalom, Zegen en Vrede, komt  in deze opera ter sprake. In 1691 (ook wordt wel een eerdere datum genoemd) verleende tijdelijk gouverneur van Suriname Johan van Scharphuizen de Jodensavanne een officiële verblijfsstatus. 
Uit het werkschrift van Majoie: de suikermolen en de overgebleven resten van de synagoge
De dodelijke blik van Degene die men niet bij naam mag noemen
 
Uit Fool’s Gold: Mallatta en Blackfoot in de boot op weg naar de Kassikassima
Fool’s Gold
Foto uit Majoies album van het Fort Zeelandia in Paramaribo van een andere kant bekeken, nu  is daar het Surinaams museum gehuisvest
Cordonpad op de voorgrond. Jodensavanne synagoge en begraafplaats, links. G.W.C. Voorduin, aquarel, 1860. Rijksmuseum Amsterdam, www.jck.nl
 
Wat er nog over is van het Cordonpad anno 2023, F. Ellen de Vries

AKTE 2
Scène 1
De verteller deelt mee dat de Arowakken Paloemeu hebben verruild voor Cassipora, vlakbij de Jodensavanne. Zij bezitten de gouden traan, maar malen niet om rijkdom. Ze leven van de jacht en visvangst in harmonie met de natuur. 

Scène 2
Arbanel is ondertussen vertrokken naar Paramaribo om de Zeeuwse gouverneur uit te nodigen voor een bezoek aan Beracha Ve Shalom, de splinternieuwe synagoge. Enig in zijn soort in Zuid-Amerika.

Hier springt Majoie heen en weer in de tijd, de synagoge was pas in 1685 voltooid, maar ze laat de Arowak met een terugverwijzing naar 1667 zeggen, dat Mallatta nog niet weet dat Engeland de oorlog  tegen ‘Zeelandais’ verloor. De Engelse Lord [vermoedelijk doelt ze op William Willoughby] heeft het podium stilletjes verlaten. De gouverneur ‘Zeelandais’ zwaait nu de scepter. In 1667 veroverde de Zeeuwse marineofficier Abraham Crijnssen Suriname op de Engelsen.

Scène 3
Bethsabee is aangekomen in Cassipora, en voegt zich bij Blackfoot en de Arowak. Blackfoot verkondigt, dat hij Malatta naar de gouden top van de Kassikassima wil lokken. Bethsabee waarschuwt: dat wordt je dood. Maar Blackfoot vertrouwt zijn moeder toe aan de Arowak en gaat Mallatta zoeken.

Scène 3
Mallatta volgt Blackfoot blindelings. Na een lange bootreis bereiken ze het gebergte.  Ieder die het waagt de Kassikassima te beklimmen om het heilige wezen in zijn goudland op te zoeken zal sterven, zo herinnert Blackfoot Mallatta aan de banvloek.  

Mallatta scheldt hem uit voor alles wat vies en vuil is. Met zijn witte vader voelt hij zich ver verheven boven Blackfoot. Die merkt fijntjes op dat Mallatta óók de zoon van een zwárte vrouw is. Je moet, eenmaal zwart, voor jezelf beslissen of je een zwarte of een witte bent, zegt hij wijs. Laten we naar huis gaan, fleemt Mallatta. Blackfoot antwoordt dat het te laat is: ‘We zullen hier samen sterven. Geef me je hand Mallatta.’ Samen springen ze onder een oorverdovend geraas hand in hand de diepte in.

Blackfoot offert zich op voor zijn moeder. Eenmaal dood kan Mallatta haar niets meer doen. Ook wreekt hij de moord op zijn vader. In een latere versie kaart Majoie de penibele positie van de bastiaan en verdeel-en-heers-politiek van de kolonisatoren aan.

Scène 4
De volgende scène speelt in Paramaribo, in het paleis van de Gouverneur. Arbanel staat naast de Gouverneur van Zeelandia op het balkon, ze kijken uit over het Oranjeplein, dat nu – sinds 1975 – Onafhankelijkheidsplein heet. Het koor zingt: Peroen Peroen mi patron, san wanni kom, mek a kom!: Laat komen wat komen gaat.  Onheil hang in de lucht. 

Er vliegt een steen richting balkon. De gouverneur springt opzij en klaagt dat de Engelsen weliswaar zijn verslagen ­– de Lord  is immers stilletjes uit het verhaal verdwenen – , maar dat het fort nu wordt belaagd door de Franse piraat Cassard, die 70.000 kilo suiker en 2000 slaven eist. Aldus het libretto.  

Hij adviseert Arbanel  terug te gaan naar zijn suikermolen om die te beschermen tegen de aanvallen van Boni en zijn volgelingen. Arbanel zegt,  dat zijn molen beschermd is door een pad. Mogelijk doelde Majoie op het zogenaamde cordonpad; daaraan gelegen militaire posten moesten de omringende plantages beschermen.  

Scène 5 
Filmbeelden tonen hoe het Fort Zeelandia door ontevreden, vrijgelaten gevangenen [zie kadertekst] wordt geattaqueerd die vervolgens naar het Gouvernementspaleis oprukken. Een schot klinkt. De gouverneur wordt neergeknald  door het ontevreden geboefte uit Holland, terwijl het koor zingt: ‘Peroen, peroen mi patron, sa wanni kom, mek a kom!’ 

De verteller schetst de onthutsing – ongetwijfeld onder de kolonisten – maar signaleert ook hoe ‘een bedwelmende wind van vrijheid over de stad’ waait. De inmiddels roze geworden roos van de Caraïben danst haar passen op luid schallende Rockmuziek.  

Jodensavanne, Jacob Marius Adriaan Martini van Geffen, aquarel, 1850. Rijksmuseum Amsterdam
Watervallen van het Kassikassimagebergte, tekening uit het werkschrift van Majoie
Majoie clustert een aantal waargebeurde verhalen: de Nederlandse verovering van Suriname op de Engelsen in 1667 door Abraham Crijnssen en het gouverneurschap (1683-1688) van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck dat in 1688 bruusk eindigt als hij door ontevreden tewerkgestelde Nederlandse soldaten c.q. vrijgelaten gevangenen wordt vermoord, de komst in 1712 van de piraat Cassard bijna 25 jaar later, waarbij slaafgemaakten de kans schoon zien het bos in te vluchten om rond 1770, dus een halve eeuw nadien, groepsgewijs onder commando van de Marron Boni plantages van de ‘blanken’ te overvallen. Maar het is een opera, dus dat mag.
Uit Fool’s Gold: Fort Zeelandia, waarin nu het  Surinaams  Museum is gevestigd
Moord op de gouverneur Cornelis van Sommelsdijck, Rijksmuseum Amsterdam
Afbeelding van het snelle zeilschip Sheila I uit het artikel van prof. Chan Choenni over Hindostaanse immigratie, gepubliceerd in Hindorama.  Mogelijk refereert Majoie bij de dood van Kuli’s vrouw aan de barre overtocht  op de Sheila I van haar oma en naamgenoot Majoie in 1883. Cholera eiste toen zijn tol onder de opvarenden.
Majoies halfbroer Rahmat Ali (geboren 8 november 1912) op de arm van zijn moeder Bathoolum: de eerste vrouw van Majoies vader Harry Hajary. Foto Collectie Aisha Ali
Majoie met ouders en zusjes met de trein naar Berseba 
De Hindostanen deden pas in de 19e eeuw hun intrede in Suriname, toen de zoektocht naar Eldorado allang gestaakt was. Maar er waren meer golven. Majoies opa Hajary probeerde begin 20e eeuw toen de goudkoorts weer opflakkerde daarmee ook fortuin te maken. Ditmaal waren het geen luchtkastelen, maar werd het erts daadwerkelijk gevonden in het Lawa-gebied. De spoorweg die de Nederlandse ingenieur Cornelis Lely daarnaar toe liet aanleggen, ook wel Goudlijn of Landsspoorweg genoemd, deed na het uitdoven van de koorts, dienst voor dagtripjes, naar bijvoorbeeld het recreatieoord Berseba
De West 9 september 1932

AKTE 3

Scène 1
Op de top van de Kassikassima worstelt Degene wiens naam met niet mag noemen met zichzelf. Hij voelt zich een gevangene van al zijn goud. Hij kan niet huilen, niet liefhebben, niet sterven. Het goud is niets anders is dan stof, ijdelheid. ‘Dwing me niet om gemeen te zijn’, roept hij uit in zijn solo. ‘Benader me niet meer, laat Elodorado met rust.’ Het koor valt hem bij: ‘Auri Sacra Fames’, Latijn voor ‘Vervloekte goudhonger!’  

Scène 2
In de volgende scène arriveert een schip uit Brits-Indië in Paramaribo, met aan boord de Hindostaanse emigranten Kuli, Sita Anjali (Sita is ook de naam van Majoies dochter) en hun bediende Malik. De vrouw van Kuli overleed tijdens de overtocht van India naar Suriname in de volgepropte boot, zo vernemen we. 
Kuli verwijst naar de oude in onbruik gemaakte benaming voor vaak ongeschoolde arbeiders uit India.

Op het plein voor het paleis van de gouverneur beweegt Sita Anjali, die het dansen niet laten kan, op de klanken van Indiase tabla en tanpura, terwijl Kuli de joodse planter Arbanel vertelt, dat hij uit Bihar komt. Droogte noopte hen India te verlaten. Arabanel stelt de nieuwkomers voor aan zijn Chinese assistent uit Hong Kong: de wijsgeer A sa moi.

Het koor zingt het oude Surinaamse volkslied ‘Na zestien april, mi boto lai, na Tapanahony mi de go…’  (zie uitleg) dat in deze context eerder naar de goudkoorts dan de naderende afschaffing van de slavernij lijkt te verwijzen. Kuli wil graag het land bewerken. Maar Sita Anjali droomt van het Kasikasimagebergte, niet vanwege het goud, maar vanwege de watervallen, die vertegenwoordig leven, gezondheid en geluk, vindt Anjali.

Scène 3
Ondertussen staat de suikermolen bij de Jodensavanne in brand. Er klinken schoten. De Marrons hebben hun aanval ingezet; de Caribische roos begint ­– in rood getooid – aan haar zwanenzang. 
Dobberend in hun boot komen nu ook de joodse planter Arbanel, de Chinese wijsgeer A sa Moy, de Hindostaanse Kuli en zijn dochter Sita Anjali aan bij de suikermolen. 

Ze zien de Arowak die de zwaargewonde en stervende Bethsabee in zijn armen draagt. Hij vertelt hoe zij de molen met man en macht tegen Boni en zijn mannen verdedigde. Nog een schot: de Arowak wordt geraakt. Voordat hij de eeuwige jachtvelden binnentreedt, overhandigt hij snel de gouden traan aan Arbanel. Die wordt ook neergeknald en vertrouwt de traan, al stervende, toe aan Sita Anjali. Die moet de traan naar Degene wiens naam men niet mag noemen brengen om zo zijn vloek te verbreken. Dan zal het land gered zijn.

Scène 4 en 5
De Chinese wijsgeer A sa Moy zegt tegen Sita, dat hij denkt dat Degene wiens naam men niet mag noemen eigenlijk niets anders wil dan vrede voor het land. Hij begeleidt haar tot halverwege de Kassikassima. A sa Moy vraagt, onzeker over haar lot: Keer je wel terug? Zeker, antwoordt Sita Anjali relotuut, en ze belooft dat ze – eenmaal teruggekeerd – haar vader zal helpen het land te bewerken. Ze gaat alleen verder.

Scène 6
Onverschrokken beklimt Sita Anjali de Kassikassima, met de traan in haar hand. Eenmaal op de top, waagt ze het om het wezen aan te kijken en nota bene aan te spreken met ‘prins’. Die waarschuwt haar terug te keren naar de bewoonde wereld, voor het te laat is. Waarom hij haar níet doodt en die anderen allemaal wel heeft vermoord, vraagt ze. Niemand keerde ooit levend terug van de berg. De prins verklaart: ‘Omdat alleen jij raadde dat ik niets anders dan een droom ben en dat ik niet besta, Sita Anjali.’ Zij antwoordt hem dat hij gelukkig wél bestaat. ‘We hebben u nodig, we kunnen niet leven zonder dromen. Als we soms teleurgesteld en verbitterd zijn, komt dat dan niet door onze eigen fouten? En is het niet menselijk om goud te verwarren met geluk?’

Sita Anjali opent haar hand om de gouden traan te overhandigen. Die blijkt te zijn versmolten met de tranen en zweet van de anderen. Terwijl er muziek klinkt, roept de prins van Eldorado verheugd: ‘Ik kan huilen, ik ben niet langer vervloekt.’ Sita Anjali zegt: ‘U hebt nu een hart en ziel, Eldorado.’ De Prins jubelt: ‘Ik kan nu liefhebben, liefhebben, liefhebben.’ 

Scène 7
Het koor zingt over een vrij Paramaribo in 1975. 

Uit het archief van Majoie Hajary, met Surinaams vlaggetje.
Schilderij van Nola Hatterman: Aanval op de plantage, foto Lucien Chin A Foeng, Staatscollectie Republiek Suriname, (c) erven  Hatterman.
Uit Fool’s Gold: Sita Anjali ontmoet Degene wiens naam men niet mag noemen op de top van de Kassikassima 
Flyer bij de expo Suriname-Nederland, 40 jaar later. 
1975 bracht niet het verwachte paradijs. Na de moord op 15 criticasters van het regime op 8 december 1982, die volgde op de militaire staatsgreep van 1980 o.l.v. bevelhebber Desi Bouterse, kende Suriname een jarenlange dictatuur. In 1985 , het jaar waarin Majoie dit script schreef, was er zojuist een akkoord gesloten met de eerder verjaagde burgerregering, toch zou het leger nog lang de baas spelen. 
SLOTBESCHOUWING 1

Een naïef schilderij zo typeert Majoie haar opera, ook al is de story bloederig en vallen de doden bij bosjes. Interessant zijn de vele versies die hierna nog volgen, waarin de verhaallijnen telkens iets anders zijn. Tezamen vormen die de veelkleurige, gelaagde, gewelddadige maar ook heldhaftige geschiedenis van het land, verteld vanuit verschillende perspectieven. Wraak en moordlust versmelten tot verbroedering. De slaafgemaakte Blackfoot wreekt zijn verkrachte moeder en vermoorde vader, maar neemt – bijna teder – de hand van hun belager in de zijne om samen de berg af te springen, terwijl hij Mallatta moed inspreekt. De inheemse verzoent zich met de achtervolgde jood die hem in feite zijn land afpikte, de jood geeft de traan aan Sita Anjali met het verzoek de banvloek over het land op te heffen. Het lijkt erop alsof Majoie alle mogelijke narratieven verkende die tot de natievorming zouden kunnen leiden van een samengebracht, getergd volk. Nog steeds een actueel thema in Suriname. Evenals de zucht naar goud en grond. 

Majoie Hajary: ‘Wie zijn jeugd doorbracht in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname, vergeet het niet. Nooit. Mijn verhaal over de gouden traan die de prins van Manoa vergoot, zou je een naïef schilderij kunnen noemen. Het is de droom van een droom, iets vaags en obsessiefs als een herinnering'

SLOTBESCHOUWING 2 

De beschrijving van de Europese jacht op de joden en haar al te rooskleurige voorstelling van hun rol als slavenhouders in de Jodensavanne moest misschien goedmaken dat zijzelf in de jaren 40 geen stelling had genomen tegen de nazi’s en was blijven doorspelen.
Frappant is hier de rol van Bethsabee, ze sterft (net als Blackfoot), terwijl ze de suikermolen verdedigt tegen de mannen van Boni. In de volgende versies strijdt ze juist aan hun zijde en wordt de heldin van het verhaal. Mogelijk is het een verwijzing naar het dilemma van de slaafgemaakten om hun vertrouwde omgeving, hoe gruwelijk ook, te verruilen voor een onbekende bestemming met de kans op wrede straffen als de vlucht mislukte.
In de volgende versie wordt Boni verdrongen door die andere twee strijders die vaak in een adem genoemd worden: Joli-coeur en Baron. 

Introductie

Eldorado

Het ballet (1980)

Eldorado

Het ballet (1980)

Fool’s Gold

12 december 1985

Fool’s Gold

12 december 1985

Story of Suriname

17 november 1987

Story of Suriname

17 november 1987

La larme d’or

Eind ’80 tot 2017

La larme d’or

Eind ’80 tot 2017

Bij de samenstelling van deze site is zeer zorgvuldig omgegaan met naamsvermeldingen, bronvermeldingen en copyrights. Mocht u werk van uzelf tegenkomen of herkennen zonder naamsvermelding, neem dan contact op met de sitebeheerder Ellen de Vries.
© ALL RIGHTS RESERVED ELLEN DE VRIES | WEBSITE GEMAAKT DOOR: REINIER MATHIJSEN