Deze tekst is in tegenstelling tot de andere scripts voornamelijk in het Engels. Jarlath Dillon hielp bij de vertaling. Daarin komen alle drie de zwarte verzetshelden Boni, Baron en Jolicoeur voor, die sinds een paar decennia aan hun zegetocht in de geschiedenisboeken zijn begonnen, na een lange periode van verwaarlozing.
Sita Anjali is nog steeds de heldin, haar vader Kuli en de Chinese wijsgeer A sa Moy zijn hier geschrapt. Die hadden in het voorgaande verhaal ook geen rol van betekenis. Sabacou [ook Sabakoe] doet haar intrede. Ze draagt de naam van de Surinaamse trekvogel en is de dochter van de zwarte verzetsheld Barron. (In de hierop volgende versie van de opera, La larme d’or, is ze de dochter van Bethsabee en Joli-Coeur.) In de tijdlijn is de coup van 1980 toegevoegd. Waarmee Majoie misschien lijkt te willen zeggen dat Suriname ook na de onafhankelijkheid niet van de vrijheid kon genieten.
In deze story blijft Betshabee leven. Sita zal wederom de Kassikassima bestijgen om de traan te overhandigen aan Degene zonder naam. Frappant is haar opmerking ‘Ik kom uit een ver land [India] en ben totaal onpartijdig.’ Sabakoe leidt Sita naar de berg, zij kent immers alle sluipweggetjes door het moerassige oerwoud. Zij blijft achter op het plateau: de laatste tussenstop op weg naar de top. Sita klautert zachtjes neuriënd de berg op, terwijl het zaallicht dimt. Het verhaal eindigt op dezelfde manier als boven, met een happy end.
Er zijn geen partituren die naadloos op deze versie aansluiten, zoals dat veel meer het geval is bij versie 4: La larme d’or.